Thuissituatie

Ik ben aan het thuiswerken. Met kinderen. Dat valt niet mee, maar ik heb de afgelopen tijd al flink geoefend. Parallel gaan mijn kinderen thuisleren. Dat zijn opgaven die een hele opgave worden. Een thuisleerpakket van drie scholen met elk hun eigen aanpak en van drie kinderen in verschillenden soorten onderwijs. Dat is op zijn minst een stevige uitdaging naast je eigen werk. Mijn kinderen maken zich geen zorgen, zij zien het als één grote vakantie. ‘En daarbij pap’, voorsorteert de oudste, ‘ik loop al een week voor’. Max knikt bemoedigend, jaloers op zo’n goed excuus. Catho heeft er zin, thuisleren en papa is de meester, dat klinkt fantastisch. ‘Wil je me wel helpen met rekenen en taal en soms een beetje bij spelling?’ Vandaag komen de eerste huiswerkpakketten, hou de mail, magister de website in de gaten! En daarnaast blijven ze vrijheden en bedtijden oprekken als het gaat om ‘slapen gaan’ en ‘opstaan’.

Als we gezamenlijk gaan t-huiswerken, dan moeten we wel afspraken maken, vind ik. Tijd voor een heus gezinsoverleg. Het loopt de laatste tijd al niet zo lekker thuis, met veel ruzie en zo. Het is winter en ze zitten veel binnen, bovenop elkaars neus. Dat is vaak lastig. Bij ons moet je een gezinsoverleg zorgvuldig plannen, want daar zijn de meeste van mijn kinderen het liefst niet bij. Dus heb ik het ruim voor het weekend aangekondigd: maandag na het eten. Opdracht: we denken allemaal na over manieren hoe je zelf kan bijdragen aan een leukere gezinsdynamiek. Papa ook.

Maandag is het niet geworden, er is er één ziek. Echt! Er is altijd wat. En dat de meeting dinsdag wel plaatsvindt, komt alleen omdat ik de helderheid van geest had om de jongens tijdig te appen dat ze thuis moeten eten omdat de snackbar dicht is en dat je er alleen kan afhalen (precies wat de oudste van plan was).

En daar zitten we dan; twee op hete kolen en twee die er iets van willen maken. Op tafel staat frisdrank. Neem gerust. Voor wat, hoort wat. Dat aanbod leidt meteen tot een luidruchtige discussie over de grootte van de glazen en de hoeveelheid fris. De moed zakt me in de schoenen.

Ik begin opnieuw en schetst de ernst van de situatie en hoe ik verwacht dat we met het schoolwerk om zouden gaan. We staan op tijd op, ontbijt, koffie, thee en dan allemaal aan de eettafel en aan de slag. Opdrachten klaar? Even langs papa voor een vink, een knuffel en een sticker en als je klaar bent mag je weg. Lijkt logisch, maar daar dachten de jongens heel anders over; ‘wat??? om 10 uur al aan tafel? Kan toch ook om 12 uur?’ ‘Het is geen vakantie’, als tegenwerping telt niet. ‘Ik krijg digitaal les, hè pap? Ik kan niet aan tafel met z’n allen. En ik krijg pas donderdag mijn huiswerk.’ Weer kijkt Max vol ontzag naar het argumentenpallet van zijn oudere broer. Iedereen boet uiteindelijk in, of moet ik zeggen ‘wil van tafel’. Ik vermoed dat ze allemaal nog hoopvol zijn dat het met striktheid van vader uiteindelijk wel mee zal vallen. Zoals zo vaak.

We pakken door. Ik heb ze nu toch aan tafel. Wat doen we aan de sfeer in huis? Ondanks de regelmatige reminders hadden de jongens nog niet echt nagedacht over verbeterpunten. Catho steekt haar hand op. Ze krijgt de beurt. Catho geeft aan dat ze meer bereid gaat zijn om te delen. Een bal, een dekentje op de bank, de jongens mogen er ook gebruik van maken. Lijkt een kleyne stap, maar is echt een royaal gebaar van de jongste. Verder wil ze vaker en beter haar kamer opruimen. Ze heeft nog meer tips om papa te ondersteunen, de schat. De jongens luisteren mee. Er is voldoende commentaar tussendoor, maar dat smoor ik zoveel mogelijk in de kiem.

Max is. Zijn inlevingsvermogen is de belangrijkste trigger dat we nu allemaal aan tafel zitten. Hij heeft terecht en echt problemen met de manier hoe we met elkaar omgaan. We moeten meer geduld hebben voor elkaar, meer luisteren en minder schreeuwen, vind hij. Lucas valt hem direct bij. Ik wist het. En niet meteen ‘nee’ zeggen als iets wordt gevraagd, je kan er over praten toch? En papa moet vooral niet te lang dooremmeren over hetzelfde punt. Ik bijt op mijn tong, Lucas hangt achterover in zijn stoel en vraagt om meer frisdrank.

Catho steekt haar hand weer op; we moeten iedereen laten uitpraten en leuk doen tegen elkaar. Ik kijkt de jongens vermanend aan als ze er allebei tegelijk laatdunkend op willen reageren. Max vult zijn bijdrage ook aan: iedereen moet zich minder met de ander bemoeien. Als ik hem vraag wat hij bedoelt, geeft hij aan dat Catho en Lucas altijd commentaar hebben op de dingen die Max doet. Ze zijn zijn opvoeder niet, ze mogen hem niet ‘bemoederen’. Ik complimenteer hem met zijn rake woordkeuze.

Dan is Lucas. Papa moet zich minder opwinden over de kleine dingen en hij gaat zijn best op school doen. Dat is het. De rest is al gezegd wat hem betreft. Hij maakt aanstalten te vertrekken, maar ik vraag door. In zijn uitleg geeft hij aan dat ik me druk maak over futiliteiten – in zijn ogen-, dat is niet leuk, kost veel tijd en ik doe er ook altijd onnodig lang over. Net als ons overleg. ‘Ik kan dit maar 20 minuten, pap, is het klaar?’, besluit hij. ‘Nee’, zeg ik, ‘ik mag nog’.

Ik heb er wel over nagedacht. Ik ga weer naar mijn coach, geef ik aan, de eerste afspraak staat - of stond. En ik ga meer tot tien tellen, beloof ik. Ik vlieg soms uit de bocht en dat is niet handig. Ik moet het op een andere manier aanpakken. Boos worden en schreeuwen leidt bij mij ook tot schuldgevoel en dan word ik daar ook weer inschikkelijk van. Ik ga consequenter zijn, beloof ik. Afspraak is afspraak en daar ga ik jullie meer aan houden. We moeten elkaar helpen en niet tegenwerken. Oh, en als nabrander; hou me op de hoogte. Nu moet ik het steeds vragen. Laat me weten waar je bent en hoe het gaat. Dat helpt mij.

Ik wil mijn kinderen veel vrijheid geven, maar wel volgens mijn regels. Klinkt best tegenstrijdig, maar vrijheid verdien je met verantwoordelijk gedrag, vind ik. Ik vraag niet veel. Doe je school goed en laat zien dat je de verworven vrijheid goed aan kan. Dan mag je steeds meer. Ik leg uit dat ik drie kinderen heb, een drukke baan, een huishouden en dat ik steeds overal aan moet denken, voor 4 personen en een kat. Het is voor mij zoveel handiger als ze meteen handelen als ik ze iets vraag. Dan kan ik het afvinken en vergeten en dat is fijn, want mijn hoofd loopt al over. Daar wordt ik onrustig van en dat merken ze aan mijn gedrag. Ik kijk ze aan. Ze lijken allemaal meer aan te gaan over de passage over potentiele vrijheden, dan dit laatste. Dat begrijp ik, het gesprek duurt al best lang.

We gaan aan tafel. Stamppot rauwe andijvie. Het eten wordt goed ontvangen. Sterker nog, het is best gezellig aan tafel. Het gesprek is oprecht en gemakkelijk en eigenlijk valt er geen onvertogen woord. Iedereen heeft begrip voor de ander en iedereen lijkt zich even bewust van de impact van zijn eigen gedrag. Als ik bij het afruimen vraag of Lucas even kan helpen, is dat geen probleem, sterker nog, in het voorbijgaan vertrouwt hij me toe dat ‘voortaan wat socialer doen bij het eten’ ook een verbeterpunt is. Trots en tevreden krabbel het meteen bij de notulen.

Tuurlijk, er is veel strijd, maar als verbeterpuntje bij paaltje komt, weten mijn kinderen wel waar het om draait – of ze doen gewoon verdomd goed alsof. Grappig hoe zo’n stroeve gezinssessie je toch weer vertrouwen geeft. Kom maar op ingewikkelde thuissituatie! Het maakt mij niet uit, vader, marketeer, moeder, huishouder of meester, met zulke kinderen kom je er wel!

Voorjaarsvakantie

Kak, het is weer vakantie. In het verleden was de voorjaarsvakantie garantie voor wintersport. Claar was van wintersport. Claar skiet al sinds haar jeugd en kan keigoed skiën, het ziet er heel eenvoudig uit. En als je met Claar bent dan wintersport je ook. Dus heb ik een soort van basistechniek geleerd toen ik 35 was. Na een week ploeteren kreeg ik een speldje van de leraar: 'je kunt het!' Maar mijn techniek, of het gebrek er aan, levert me elke afdaling nog een paar hachelijke momenten op.  

Als je met Claar bent, dan wintersport je ook. Het hele gezin op de latten, vaak met vrienden en familie. Vrijwel elk jaar vertrokken we op vrijdag voor de massa uit. Een nachtje in een hotel onderweg om zaterdag op tijd bij het hotel te zijn. Inchecken, ski’s huren, lessen boeken, skipassen regelen, op de eerste dag was mijn creditcard al gesmolten. Kinderen op les, de ouders samen naar boven. Gelukkig was er met Claar altijd genoeg tijd voor een borrel en een uitgebreide lunch. Dat maakte een boel goed en gaf mijn compleet verzuurde bovenbenen wat rust.

Ik heb de frequentie van skiën teruggebracht. We gaan niet meer elk jaar. De kinderen vinden dat heel jammer, en dat begrijp ik. Deze voorjaarsvakantie zijn we ook niet afgereisd naar de sneeuw. De kinderen hadden vakantie, ik heb doorgewerkt, zij hebben nou eenmaal veel meer vakantiedagen dan ik. Vakanties zijn lastig. Ik ben veel thuis aan het werk en de kinderen hangen rond. Vanachter mijn laptop aan de eettafel kijk is soms schuldbewust op. Veel meer Netflix, Youtube, gaming dan goed voor ze is. Het geeft mij de ruimte om te werken, maar de kinderen niet het vakantiegevoel van vroeger. Ze vervelen zich regelmatig, maar vervelen is goed, toch?

Lucas treft het niet, die is ziek. Hij schuift van zijn bed naar de gamekamer, appt zijn bestellingen door naar de keuken en beklaagt zich over zijn noodlot: ziek zijn in de vakantie. Max hangt met zijn posse. Ze hobbelen het huis in en uit op zoek naar voedsel en fris, hun mobiel altijd paraat. Ze wisselen dagelijks van logeeradres en alle matties komen aan de beurt. Ik heb ‘m inmiddels weer terug op de bank, helemaal bleek uitgeslagen van het slaapgebrek. De uitjes van Catho beperken zich tot het voetbalveld, de Albert Heijn, een leuk dagje Utrecht, een uurtje zwemmen en twee volle dagen afleiding op de BSO (dan kan papa naar de zaak).

Ik kijk niet meer uit naar vakanties. Drie kinderen de hele week thuis is gewoon best veel. Ik vind het een ingewikkelde onderbreking van de regelmaat van school. Ik vind het moeilijk om door te werken en de kinderen tegelijk genoeg aandacht te geven. Ondanks de logeerpartijen zijn ze de hele week heel aanwezig en ik doe te weinig voor ze, vind ik zelf. ‘Maar ik heb vakantie’, roepen ze als ik het idee voor een gezelschapsspel van tafel veeg of een latere bedtijd pareer. Catho roept me regelmatig naast haar op de bank. ‘Heel even, zeg ik dan, ‘ik moet zo weer verder werken.’ Heel teleurstellend. Vroeger was ik op vakantie de vader die niet kon skiën. Mijn nieuwe rol als vakantievader moet beter. En terwijl ik dit schrijf neem ik me voor om het in de meivakantie allemaal veel beter te doen. Of misschien volgend jaar weer skiën? Claar zou het heel leuk vinden.

Papadag

Ik weet nog dat ik vroeger verontwaardigd kon reageren op vakantieplannen van Claar: ‘je gaat drie dagen weg? Met vriendinnen? Maar dan heb ik drie dagen de kinderen… Dan moet ik ze naar school brengen, naar sport, eten geven, naar bed brengen, alles… Dan hou ik helemaal geen tijd meer over voor mezelf…. Nou, reken maar dat ik ook een paar dagen wegga!’ En na drie eindeloos lange dagen duwde ik de kinderen dan gedrieën in de richting van hun moeder. ‘Kijk eens wie er weer is, leuk he? Ik ben weg. Doei!’

Ondertussen is het bij mij elke dag papadag – een vreselijke term en tegelijk een enorme verantwoording. Mijn kinderen zijn best zelfstandig, maar ze hebben toch nog een boel hulp nodig - al vinden ze zelf dat een forse financiële ondersteuning volstaat. Een huishouden met drie kinderen naast een fulltime baan is best ingewikkeld, dan moet je heel erg goed kunnen plannen, een skill die ik helaas totaal niet beheers. Mijn werk/privébalans bestaat alleen bij de gratie van een ruimdenkende werkgever en begripvolle collega’s, flexibele werktijden, conference calls, redelijk zelfstandige kinderen, geduldige leerkrachten, hulpvaardige opa’s en oma’s, een auto, het internet, thuiswerken en een gezonde portie creativiteit en incasseringsvermogen. 

Tegenwoordig werk ik in Den Haag, vlakbij Holland Spoor. Ik heb de A2 verruild voor de A12. Mijn snelste tijd klokt tegenwoordig 45 minuten in plaats van 35, maar in elk geval mis ik nu het filedoseren voor de Daalsetunnel, of moet ik zeggen ‘mis ik niet’? Als ik naar Den Haag ga, dan vertrek ik na de file, rond een uur of negen. Handig, want het beperkt mijn reistijd en het geeft me tijd om Catho naar school te brengen. We hebben zwaaidagen (maar dan wel totdat je elkaar niet meer kan zien) en niet-zwaaidagen. De jongens schuiven in de ochtend ergens voorbij, die gaan zelfstandig – liefst op het aller-allerlaatste moment- naar school. Ze graaien de kant-en-klare boterhammen uit de vriezer, mompelen gedag, gooien de deur te hard dicht en stappen op fiets of scooter. Ik log nog even in voor de urgentste mails en dan trap ik ‘m aan.

Net als in de ochtend vermijd ik ook de files in de avond. Uiterlijk half vijf stap ik weer in de auto, dan ben ik voor zes uur thuis, soms op tijd voor een boodschap met verse ingrediënten, vrijwel altijd op tijd om Catho thuis te verwelkomen - slechts een enkele keer dient één van de jongens als achtervang voor haar thuiskomst. Lange dagen maak ik dus nooit, althans niet op kantoor. En als ik mijn laptop weer in mijn tas stop en vroegtijdig de afdeling verlaat, voel ik me vaak bezwaard. ‘Het gaat om output’, houd ik me voor, maar ik blijf mijn werktijden ingewikkeld vinden – voor anderen.

Ik heb de naschoolse opvang van Catho nooit veranderd. Ik wilde niet dat ze vanwege het overlijden van haar moeder extra naar de BSO moest. Daardoor liep het spaak op de maandagen. Catho is om drie uur uit, maar haar halverwege de middag al opvangen laat mijn werk niet toe, vind ik zelf. Nu wisselen opa’s en oma’s elkaar af en halen Catho uit school. Superfijn, want ik ben daar enorm mee geholpen, temeer omdat ze die dag de honneurs in de keuken waarnemen. Aan tafel maken ze ons gezin in haar puurste vorm mee in de ‘gezellige’ dynamiek van onze weinig spraakzame avondmaaltijd. De enige vraag die wordt gesteld is: ‘mag ik van tafel?’ De overige dagen zorg ik voor het eten, dan kook ik vaak voor 8 personen, serveer 4 maaltijden uit en sla de rest op in de viezer - dat scheelt weer kooktijd.

Na het eten regeren de mobiele telefoons, de PS4, de switch en de laptop bij ons thuis. Ieder volgt zijn eigen programma. Ik las laatst dat er elke minuut 500 uur Youtube content bijkomt, dat is maar goed, want anders hadden mijn kinderen Youtube al volledig op. Ik werk mijn mail weg en stort me vervolgens op huishoudelijke klussen. Vroeger koesterden Claar en ik onze lange avonden, het was ‘onze’ tijd. Toen lag iedereen er op tijd in. Dat is nu wel anders, het lijkt wel of ze nooit naar meer naar bed gaan. Catho lees ik rond negen nog even voor, voor de jongens hanteer ik richttijden. De discussie ‘geen telefoon naar bed’ heb ik in een ver verleden al verloren. En als ik om elf uur iedereen heb liggen, ben ik keikapot, klaar met de dag en wil liefst zo snel mogelijk naar bed. Toch zap ik dan soms nog even langs wat zinloze programma’s om de zinnen te verzetten.

Elke dag papadag. Van ‘sporadisch drie dagen’ zijn we naar ‘altijd’ gegaan. Dat is best veel, soms. Het valt niet mee om alle agenda’s goed op elkaar af te stemmen en we missen nog vaak afspraken. Kinderen zijn verantwoordelijk voor school en alles wat daar bij komt kijken, maar dat geeft maar betrekkelijke rust. Ik vraag ze om wat hulp met het huishouden, maar verder probeer ik de kinderen veel ruimte te geven. Vaak lukt het goed, maar soms ook niet. Dan wringt het met gezondheid, werk of school. Dat vind ik dan lastig, raak ik sneller geïrriteerd en word ik boos om niks. Dan voel ik me bezwaard, omdat ik niet meer rust pak voor mezelf om het goed te doen voor de kinderen. Mijn dag zit vol, soms ramvol. Tijd voor Wouter schiet er nog wel eens bij in. En tegenwoordig denk ik dat juist die eigen tijd mij meer balans gaat geven in zowel werk als privé. Misschien moet ik een paar dagen weggaan…

Jarig

Catho is woensdag jarig. Ze wordt 10 jaar en is in alle opzichten een grote meid. Ze is er al maanden mee bezig en nu is het bijna zover. De voorbereidingen zijn in volle gang. Kinderpartijtje gepland, uitnodigingen de deur uit, traktatie gekocht, ook voor de glutenvrije vrienden, grote-mensen-feestje in de agenda, verlanglijstje afgetikt en cadeaus in huis gehaald. Het is een arbeidsintensief feestje, zo’n kinderverjaardag.

Het is alweer de derde zonder mama. Op het digitale fotolijstje in de woonkamer komt de laatste editie met Claar nog regelmatig voorbij. Iedereen in het ouderlijk bed, breed lachend naar de camera, overal pakpapier en mama die twee duimen opsteekt, haar haar korter en blonder dan doorgaans. Het olijke tafereel herinnert aan een tijd dat feestjes nog feestjes waren.

Tegenwoordig wil ik het liefst zo snel mogelijk achter me laten. Ik doe het allemaal nog steeds hetzelfde; de avond voor de verjaardag span ik de slingers tussen de twee lampen in de woonkamer. In de extra vroege ochtend verzamelen de kinderen zich in het bed, de jongens voelen het als een verplicht nummer en knijpen met hun ogen naar de felle lamp in mijn kamer en maken flauwe grappen dat er helemaal geen cadeaus zijn, we zingen tamelijk zacht en vals een paar verjaardagsliedjes en dan pak ik de cadeaus uit de kast, Catho zit rechtop en met twee gretige kinderhanden worden de cadeaus stuk voor stuk onthuld. Deze is van Pinchos, deze is van Lucas en deze van Max. Iedereen komt aan de beurt. Ook Claar. Catho mag van tevoren kiezen welke van Claar is en dat is meestal het grootste cadeau. Daarna naar beneden voor ontbijt en het klaarzetten van de traktatie. Catho glimt van trots als ze met het dienblad vol lekkers naar school loopt.

Maar verjaardagen zijn ook de jaarlijkse hoogtepunten waar het gemis sterk wordt gevoeld. Ik merk dat ik het lastig vind om alles te plannen, alleen de slingers op te hangen, alles in te pakken en de vrolijke Frans te spelen op de dag zelf. Claar was van de verjaardagen, dat stond in onze taakverdeling. Zij regelde alles, daar had ze lijstjes voor. Ook Catho voelt in aanloop naar haar verjaardag meer verdriet om haar moeder. In de maand voor haar verjaardag wordt het verdriet wat tastbaarder.

Het kinderpartijtje is geregeld. We gaan zwemmen met een selectie van vrienden en vriendinnen. Er is stevig over onderhandeld; wie mag wel mee en wie niet. Sommige kinderen zijn elk jaar van de partij, anderen wisselen. Vragen en terugvragen, de regels zijn soms ondoorgrondelijk en soms keihard. Maar het klasgenootje dat haar een keer toebeet; ‘ik ben blij dat jouw moeder dood is’ is onverminderd in de ban, die ‘mag niet op mijn partijtje komen!’

De hoogtepunten in het leven van mijn kleyne meid zijn niet langer zuiver en onbezorgd: het feest is voor altijd zwart omrand en het maakt niks uit hoeveel cadeaus je er ook tegenaan gooit, treur is op de achtergrond. Je kan nog zo je best doen om de rituelen in stand te houden, het is nooit meer hetzelfde. Toen ik haar er naar vroeg, antwoordde ze: ‘het is naar, vervelend en naar dat mama er niet op mijn verjaardag is.’ Dus doen we het dit jaar anders, op verzoek van Catho verstoppen we alle cadeaus in de woonkamer, dan duurt het lekker lang. Oh jottum…

Tweeling

Ik ben op 9 juni jarig. Mijn sterrenbeeld is tweeling. Een interessant zonneteken, want ‘mensen met Tweelingen als horoscoop hebben een tweeledige persoonlijkheid, zijn complex, tegenstrijdig en moeilijk te definiëren. Het positieve hiervan is dat ze zich makkelijk kunnen aanpassen, maar aan de andere kant hebben ze hierdoor twee aangezichten en zijn ze wispelturig.’ Ik heb niet veel op met sterrenwichelarij, maar ik ontkom er niet aan dat ik me hier deels in herken.

Ik ben Wouter van ‘voor’ en ‘na’. De man van voor verlangt naar het verleden, wat was, de man van na hangt naar de toekomst, wat wordt. De ene kant van mij koestert de momenten van verdriet, ik probeer ze toe te laten en zelfs op te zoeken, want het brengt Claar weer dichtbij. Nee, ik ga niet in een donkere kamer op een kleedje zitten om even lekker neerslachtig te zijn, maar als het verdriet zich aandient, dan probeer ik er meer tijd voor te maken, me er meer van bewust te zijn. Er meer ruimte voor te laten. Dan man van voor wil blijven hangen, wil treuren, wil niet verder, wil zwelgen, alleen zijn, alleen voelen.

En verdriet zit overal verstopt. Het bespringt je als je het minste verwacht, je hebt het soms zelfs niet eens door, dan hangt het beklemmend om je heen tot je beseft wat er is gebeurd. Dat kan pas dagen later zijn en tot die tijd loop je met een onbestendig zwaarmoedig gevoel rond. Je grauwt en grijst door de dagen en vraagt je af waarom eigenlijk. Verdriet ligt op de loer en houdt je plots een foto voor, of een teruggevonden nagellak, of wijst je op een pannenkoekplant, maar ze toont je ook de plekken en plaatsen en herinneringen die ze oproepen. Ze zit in een geur, of een smaak, een liedje op de radio. Ze zit in de kinderen en slaat soms hard en hartverscheurend toe.

De man van na kijkt vooruit. Die wil verder, die wil beleven, die wil achter zich laten. De man van na organiseert feestjes, borrels en gaat graag uit. Drank, muziek, afleiding, met mensen om zich heen. Hij beweegt verder, wil zich ontwikkelden, wil ontdekken. In zijn leven is ruimte voor nieuwe mensen, nieuwe besten, een nieuwe werkgever en zelfs voor nieuwe liefde. Hij mag zich daar gelukkig mee prijzen en dat doet hij ook. Echt waar! Maar vergeleken met de man voor is hij is druk met het nieuwe leven vorm geven en afleiden. Soms zo druk dat hij de man van voor soms verdringt (of moet ik zeggen; verdrinkt). De man van na eist regelmatig de aandacht op, de man van voor is meer bescheiden. Ze bewegen voortdurend langs mekaar, de Wouter van voor en de Wouter van na, als uitwisselbare identiteiten.

Soms is het lastig om te begrijpen wie ik ben of wie ik meer de ruimte geef. We zijn twee en een half jaar verder en tevoren had ik bedacht dat ik al veel verder zou zijn – tegen beter in, dat wel. En als ik goed naar mezelf kijk, dan lijkt het tijd dat ik de man van voor meer ruimte geef en de ander iets temper. Maar tegelijk ben ik trots op de man van na, die keihard zijn best doet om het me naar de zin te maken. En misschien zit er wel een heimelijk verlangen om eerst af te ronden voordat ik doordender. Maar ik heb ze allebei nodig. Samen vormen ze mij.

Als je verdriet herkent en je er bewust van bent, dan heeft dat ook iets moois. ‘Mama missen heeft ook iets gaafs’, zei ik laatst tegen Catho, ‘het brengt haar even dichterbij en het laat je voelen hoe heel veel je van haar hield. Het is goed om er aan te denken en om haar steeds te herinneren.’ Mijn verdriet koester ik het liefst alleen, buiten het zicht van anderen. ‘Tweelingen kunnen ook ontmoedigd en humeurig raken, hoewel ze nooit zullen toestaan ​​dat dit zichtbaar is voor iedereen, maar voor naaste vrienden en familie is het wel zichtbaar. Tweelingen willen meestal dat iedereen om ze heen denkt dat ze altijd blij zijn en dat stress geen invloed op ze heeft.’ Je ziet het; alles heeft zo z'n voor's en z'n na's...

Oud & Nieuw

We schrijven 2020. 2019 zit in het archief en we hebben ons dit jaar goed door Sinterklaas, Kerst en oud & nieuw bewogen. Sinterklaas in oude stijl met teveel cadeaus en nieuwe mensen, kerst en oud & nieuw in nieuwe stijl, met een dikke disco in de woonkamer. Maar sommige dingen veranderen niet, want traditiegetrouw stond onze kerstboom al op 6 december. Ik vind het altijd weer een gedoe om alle dozen van de vliering op zolder naar beneden te brengen. Ik had daar in het verleden altijd woorden over met Claar, maar de boom moest en zou daags na Sinterklaas staan.

We hebben een nepperd – al jaren. Een bonte boom met felgekleurde knipperlampen en een ratjetoe aan ballen en elk jaar ziet ie er hetzelfde uit. Elke bal brengt een andere herinnering. Allemaal spullen die Claar had gekocht. Claar hield van Kerst, want dat bracht gezelligheid, Mariah Carrey, Wham, de Top 2000 en lekker eten. 

Max en Catho hebben de boom opgezet - eigenlijk wel fijn, want ik houd dan toch liever wat afstand. Ik heb ondertussen me beziggehouden met het opruimen van mijn kasten. De speelgoedkast, de rommella, de keukenkast en de kast in de woonkamer. Ik heb ze allemaal compleet uitgemest. Kennelijk vond ik het nodig in een niet te onderdrukken behoefte om orde te scheppen. Inmiddels weet ik dat opruimen vaak compensatiegedrag is om gemis weg te drukken en om gedachten op een rij te zetten. Oud en nieuw. Ruimte maken in de kasten om ruimte te maken in het hoofd.

Ik heb Claar veel door mijn handen gehad. Haar ongebruikte stappenteller, alle bemoedigende kaarten van vrienden en familie, haar schoolbeker van vroeger, haar oude paspoort, haar pasfoto’s, haar notitieblok, oude familiefoto’s, het plastic echtpaar dat onze bruidstaart sierde, niet verzonden overlijdenskaarten, de troostende kaarten na haar overlijden. Ik heb ze niet gelezen. Ik heb het opgeruimd. Gearchiveerd. En met de komst van de kerstboom was er ook weer plaats op de vliering.

Het voelt raar om Claar ‘op te ruimen’, maar het gebeurt meer en meer en het gaat ook haast vanzelf, omdat er een soort noodzaak bij me ontstaat. En tussen de foto’s op het toilet en in het digitale fotolijstje op de schouw verschijnt meer en meer ons nieuwe leven naast het oude leven met Claar. Wij bewegen verder en zij is er altijd, in dierbare nagedachtenis bij ons allemaal, maar de tastbare herinneringen aan haar hebben we nu even niet meer nodig. Die staan ‘op afroep’ op de vliering, en inmiddels weer naast haar kerstboom.